Klein geaderd witje

Klein geaderd witje (Grebbelinie) (foto: Jerina van der Gaag)
Pieris napi
Het algemene Klein geaderd witje heeft witte vleugels, waarvan de voorvleugels een zwarte vleugelpunt hebben. Deze zwarte vlek loopt geleidelijk naar beneden toe af en ‘druppelt na’. Vrouwtjes hebben twee donkere stippen op de bovenkant van de voorvleugels; mannetjes één of geen. De aders op de onderkant van de achtervleugels zijn donkergrijsgroen bestoven. In de vlucht is het Klein geaderd witje lastig van het Klein koolwitje te onderscheiden.
Net als het Klein koolwitje en het Groot koolwitje, komt het Klein geaderd witje in een groot aantal biotopen voor. De soort heeft echter een voorkeur voor wat vochtiger plaatsen, langs bosranden en ruigten, maar ook voor bloemrijke graslanden en tuinen. Het Klein geaderd witje vliegt meestal in drie generaties en kan gezien worden van begin april tot in september. Eitjes worden in kleine aantallen op de onderzijde van bladeren van de waardplant afgezet. Als waardplant worden kruisbloemigen, zoals bijvoorbeeld Look-zonder-look en Herik gebruikt; vooral planten die op halfbeschaduwde en vochtige plekken staan. De soort is op allerlei planten drinkend aan te treffen, waaronder distels, Grote kattenstaart, Look-zonder-Look en Paardenbloem. Tijdens de KNNV-inventarisatie in 2014 is het Klein geaderd witje in het Renkums Beekdal bijna twee keer zo vaak waargenomen als het Klein koolwitje.
Meer informatie: www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/klein-geaderd-witje